27 December 2015

Story of Mohamad

Here you can read the Dutch translation of the letter Mohamad wrote to his fellow citizens from Antwerp. At the end you’ll find the original letter.

Feel free to send him a mail via this link, adding ‘Mohamad’ as subject.

“Husaini Mohamad, Beatrijslaan 100, 2050 Antwerpen

Ik denk niet niet zo graag aan vroeger. Maar ik moet mezelf sterk houden (ik heb het mezelf beloofd) en ik moet een beetje teruggaan in de tijd.
Ik ben geboren in 1993. Ik ben een jongen uit Syrië. Ik leefde in de stad Halab. Het is de oudste stad van de wereld. In die stad is er heel veel kapot gemaakt. Niemand ter wereld zou daar nu kunnen leven. Het is nu de slechtste stad ter wereld. Ik heb er gestudeerd en ik ben er opgegroeid. De regering heeft echter een media-embargo op de stad gelegd zodat niemand er nog foto’s kan nemen of hulp kan geven of kan filmen.

Ik heb aan de universiteit in Halab rechten gestudeerd, maar in Syrië zijn er geen rechten. Ik heb het eerste jaar gedaan, maar dat was geen succes. Ik kon niet over naar het tweede jaar. Door de oorlog kon ik thuis of aan de universiteit niet studeren. Sinds de komst van een politieke partij in Saladdin (een deel van Halab) kon ik niet meer rustig studeren. Vanaf dan begonnen de soldaten van Assad ons te slaan (waarbij het niet uitmaakte of je lid was van die partij of niet).
Om 3 uur ’s nachts lag ik te slapen en de soldaten vielen de stad aan. Toen we wakker werden, hoorden we het geluid van bommen. Mijn kleine broers begonnen te huilen. Wij waren heel bang omdat we dit nog nooit hadden meegemaakt. Dit duurde tot 10 uur ’s morgens. Daarna hebben we beslist om weg te vluchten naar onze familie die ver weg woonde. Daarna werd de situatie in Halab nog slechter. Er was elektriciteit noch water in Halab.
Ik kon dus niet meer verder studeren. Ik begon te werken omdat we geld nodig hadden om te leven en te eten. Het eten was heel duur geworden. De stad waar ik leefde was verdeeld in aanhangers van een politieke partij en aanhangers van Assad. Ik leefde in dat deel van de stad waar veel aanhangers van Assad woonden. De soldaten van Assad namen alle jonge mannen mee en stuurden hen naar de oorlog. Ik werd ook verplicht om soldaat te worden, hoewel ik als student normaal niet naar het leger moest. Omdat ik van Halab was (wat op mijn paspoort stond), kreeg ik geen greintje respect van de andere soldaten.
Ik geef een voorbeeld. Op een dag ging ik naar de universiteit om een examen af te leggen. Ik zat op de bus, tot een generaal me beveelde om uit te bus te stappen. Een soldaat nam mij mee naar een donkere kamer en riep naar mij: “Ben jij van de vrijheidspartij?” Ik heb neen geantwoord. Hij zei me dat ik mijn kleren moest uitdoen. Hij ging weg. Ik was heel bang. Misschien zouden ze me naar het dodenkamp sturen of naar de Syrische FBI. Het was heel koud en pikdonker in de kamer. Ik wachtte één uur en praatte tegen mezelf, in de veronderstelling dat ik zeker dood zou gaan. Toen kwam een generaal binnen. Hij had een lamp en een wapen vast. Zijn gezicht was bedekt met een zwarte doek. Ik kon alleen zijn ogen zien. Hij controleerde mijn lichaam. Mijn lichaam beefde en hij zei mij dat ik mijn kleren opnieuw moest aandoen, omdat mijn moeder van mij hield. Hij riep dat ik weg moest. Ik verliet de kamer en begon buiten zachtjes te stappen en van zodra de soldaten mij niet meer konden zien, begon ik te lopen. Ik huilde en ik had boeken vast. Ik liep zo hard ik kon naar de universiteit maar het examen was al voorbij. Ik controleerde mijn lichaam en mijn kleren om te zien of ze niets met mijn jas of kleren hadden gedaan. Daarna ging ik terug naar huis en besloten mijn familie en ik om naar Turkije te vertrekken.

Het was een gevaarlijke route naar Turkije. Er was geen andere route mogelijk, vermits er nog steeds een embargo was in Halab. Er was een stuk weg van 1 kilometer die heel gevaarlijk was (vanwege de sluipschutters op de gebouwen). Heel veel mensen gebruikten die weg en elke dag werden er wel 10 tot 20 personen doodgeschoten. Je kan dat op YouTube zien. (zoekterm: busterminal)
We kwamen daar in de namiddag aan. We stapten rustig naar de overkant. We waren erg bang dat de sluipschutters op ons zouden schieten.  Ik hield de hand van mijn zusje van 5 vast en ook de hand van mijn broer van 12. Plots begonnen ze met Kalashnikovs te schieten, waarop wij het op en lopen zetten. We liepen zo snel als we konden, want de dood zat ons op de hielen. Ik zag mensen op de grond vallen. Dit is een echt verhaal en dus geen gevaarlijke film, ook geen verhaal uit een boek.
Eenmaal aan de overkant liepen we ons oude huis binnen. 13 maanden geleden waren we als gevolg van de oorlog daar vertrokken. Daarna ben ik voor mijn familie eten gaan halen. Toen ik samen met een bevriende stadsgenoot in de buurt van de beenhouwer stond te praten, hoorden we plots doffe en harde geluiden. Ik sprong de slagerij binnen. Er vielen grote bommen. Na de bombardementen kwamen er veel mensen in de winkel die me vroegen mij of ik O.K. was. Ik keek naar mezelf en zag alleen bloed uit mijn oor komen, maar mijn vriend hing vol bloed. Ik ben met de ambulance mee naar het tentenhospitaal gereden. Mijn gehoor aan de linkerkant was ik kwijt. Mijn vriend was dood. Na drie uur in het hospitaal ging ik terug naar mijn familie. Iedereen huilde want ze hadden gehoord dat ik op de plek van de aanslag was. Ze dachten dat ik dood was. Ze konden hun ogen niet geloven en begonnen nog harder te huilen. De volgende dag vertrokken we naar Turkije.
Daar begon ons nieuw leven, wat betekende dat ik werk moest zoeken. Na 15 dagen had ik werk in de bosbouw gevonden. Dat was zwaar werk. Ik kreeg slechts de helft van het loon van een Turkse werknemer, maar ik moest werken want ik moest voor eten voor mijn familie zorgen. Turkse mensen hadden geen respect voor de Syriërs. Na 2 jaar werken hadden we een beetje geld gespaard om naar Europa te gaan. Mijn vader vertrok via de zee naar Griekenland. Mijn vader had iemand gevonden die hem tegen betaling naar België zou brengen. Mijn vader kreeg na 7 maanden het vluchtelingenstatuut en hij zorgde voor de nodige papieren zodat de rest van de familie naar België zou kunnen komen. Maar mijn zus en ik waren meerderjarig en mochten dus niet mee met ons gezin naar België. Ik had toen een vriend in Saoudie-Arabië die me geld leende om naar Europa te gaan. Mijn zus bleef bij onze familie (bij een tante en nonkel) in Turkije. Zij heeft geprobeerd om via het consulaat in Ankara asiel aan te vragen. Misschien krijgt zij een positief antwoord. Een vriend heeft me verteld dat dat heel moeilijk is. De vriend heeft haar na anderhalve maand naar …. gebracht.

Hoe ben ik in België geraakt?
Ik ging op zoek naar een persoon te zoeken die ik kon vertrouwen en die mij naar Europa kon brengen. Ik vertrouwde niemand want ze zouden misschien mijn enige geld stelen. Die mensensmokkelaars vinden geld belangrijker dan mensen. Ik vond iemand bereid en ben met hem vertrokken. In de auto zaten we met 13 personen op elkaar. Via een autostrade kwamen we om 20u00 aan de zee aan. We waren verbaasd te zien dat er nog 56 personen stonden te wachten (vrouwen en kinderen). We hadden geen ander plan.
We moesten wachten. Om 2 uur ’s nachts werden we naar een kleine plastieken boot geleid. We waren nu op zee. Een half uur na vertrek stopte de kleine boot met varen, want de motor werkte niet. De vrouwen en kinderen begonnen te huilen in de zwarte nacht. We waren bang want de boot begon te bewegen en te kantelen. Wij hebben geprobeerd om de politie van Griekenland te bellen. De politie antwoordde dat ze wisten waar wij waren en dat we niet bang moesten zijn, ze gingen dadelijk komen. We hebben toen de vrouwen en kinderen gekalmeerd. Maar na 1 uur dacht iedereen dat de dood gekomen was. Ik keek links en rechts en zag alleen maar de zee. Na 5 uur leven in doodsangst, kwam de politie. Ze hielpen ons en brachten de boot terug naar Turkije.
Nu waren er 2 opties. Terug naar Turkije gaan werken, een land waar ik geen rechten had of weer de zee op. Ik koos voor de zee. De tweede keer op zee was zoals de eerste keer. Mannen, vrouwen en kinderen, allemaal op de vlucht voor oorlog. Na 4 uur op zee, kwamen we aan op een klein eiland in Griekenland.

Ik heb geprobeerd om mijn verhaal samen te vatten maar mijn leven was toen niet hetzelfde als het leven van andere mensen. Dieren hadden toen een beter leven dan ik.
Toen we ons op een paar honderd meter van land bevonden, kwam de Griekse politie toe die ons (56 personen) naar een plaats in de bergen bracht waar 4 tenten stonden. Niet iedereen kon in de tent, dus lieten we vrouwen en kinderen eerst binnengaan. We hebben gewoon in onze kleren buiten geslapen. Het was heel koud en we hebben toen niet geslapen. We zijn wakker gebleven. ’s Morgens gaf de Griekse politie ons papieren om het land te verlaten (op het papier stond dat je binnen de maand het land moest verlaten). We zijn toe naar Athene getrokken waar we eten en drinken kochten. Daarna zijn we naar grens tussen Slowakije en Macedonië gereisd. Aan de grens waren heel veel vluchtelingen. We sliepen toen 2 dagen onder de bomen in slaapzakken die we in Athene hadden gekocht. Om 9 uur ’s morgens zijn we naar Skopje getrokken, van waaruit we in 8 uur naar Kosovo zijn gestapt. Daar hebben we de bus naar Belgrado genomen.

’s Nachts kwamen we toe in Belgrado. Iemand van de groep kende iemand in Servië die een kamer verhuurde om te slapen (10 euro/persoon per nacht). De kamer was heel koud, maar we waren zo moe dat we snel sliepen en de pijn vergaten. ’s Morgens vertrokken we naar Harkoesj  en dan verder naar de grens met Hongarije. Na 6 uur stappen werd het donker. We waren met 7 mannen, 2 vrouwen en 2 kinderen. Eén kind dronk nog moedermelk en het tweede kind was 3 jaar. De mannen droegen om de beurt dit kind. We gingen verder naar Hongarije. Aan de grens waren veel maffiose figuren actief. Ze stonden in het gele maïsveld. De grens was afgespannen met ijzerdraad. Ieder van ons had een mes bij om onszelf te verdedigen tegen deze maffiose figuren. Aan de grens stonden veel politieagenten en soldaten. Als die mij zouden vastpakken, dan zou ik in de gevangenis belanden en dan zou niemand weten wanneer ik terug vrij zou zijn. Dan zouden ze ook mijn vingerafdrukken nemen (als gevolg daarvan zou ik dan asiel in Hongarije moeten aanvragen).

We stapten verder langs de grens met Hongarije. We bleven rechtdoor tot aan een rivier stappen. Via GPS konden we de grens volgen en konden we ons goed oriënteren. Het was donker en de baby huilde. We hielden ons hand op de mond van de baby. We waren bang dat de maffia ons zou vinden en ons zou slaan en al onze bezittingen zou stelen. We waren erg bang. We vonden geen doorgang aan de grens. Toen we terugkeerden was er een stuk grens waar geen politie of soldaten stonden. We sneden de draad door en we liepen naar Hongarije. Dat was om 5 uur ’s morgens. Nu waren we in Hongarije. We stapten 4 uur en we kwamen in een straat met auto’s. Aan één van de chauffeurs vroegen we waar we een busstation of een taxi konden vinden. Hij vroeg waar we naartoe wilden. Wij zeiden dat we naar Boedapest wilden gaan. Hij belde een vriend, die ons naar een treinstation bracht. We konden het niet geloven. Eenmaal in Boedapest namen we de trein naar Oostenrijk en van daaruit naar München, waar de groep zich opsplitste. Een paar personen gingen naar Zweden, een paar anderen bleven in Duitsland en ik vertrok naar België.

Na 1 jaar zag ik mijn vader terug in België. Ik knuffelde mijn vader. Ik was heel blij. Ik huilde van blijdschap. Samen gingen we naar zijn huis. De volgende dag gingen we naar het Commissariaat in Brussel.

Nu woon ik in het asielcentrum op linkeroever (Rode kruis). Ik wil hen bedanken want zij helpen ons goed. België heeft ons meer geholpen dan eender welk land in  Europa. Dank ook aan de mensen van België. De Belgen hebben ons welkom geheten. Ik hou van België. Tussen zulke mensen wil ik graag leven. Ik ben blij want ik ben in een land waar er wetten zijn.

Ik heb gezien dat mensen hier gelukkig zijn en altijd lachen. België is een voorbeeld van een democratisch, vredevol en rechtvaardig land.

Ik ben nu Nederlands beginnen leren. In Syrië had ik al een beetje Nederlands geleerd. Ik hoop dat ik in de toekomst geen oorlog meer moet meemaken. Ik wil een sterke en luide stem zijn om mensen op een rechtvaardige manier te helpen. Ik hoop dat de oorlog stopt en ik hoop dat niemand dezelfde dingen moet meemaken die wij hebben meegemaakt.

Ik hoop dat ik op een dag wakker wordt en er geen oorlog meer in de wereld is. Ik hoop dat ik nog verder rechten kan studeren.

Opmerking: Als jij meer informatie wil over deze brief, over iets dat je niet begrijpt dan kan je me contacteren via deze website.

Husaini Mohamad ”

letter from Mohamad p1 letter from Mohamad p2 letter from Mohamad p3 letter from Mohamad p4 letter from Mohamad p5